Columns door Ir. Jacques Mertens

Columns door Ir. Jacques Mertens

Senior adviseur brandveiligheid bij Peutz en levert een bijdrage aan 'Raam en Deur' in de vorm van onderstaande columns. 

Het accent zal daarbij liggen op de brandveiligheid en het aantonen daarvan door middel van testen.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie  1-2022

Ventilatiespleet onder brandwerende deur. Mag dat?

Ik heb het al eerder gehad over naden en rookwerendheid. In zo’n column denk je dan wel zo’n beetje alles te hebben verteld wat er te vertellen valt over de naden die bij een deurstel een rol spelen. Maar hoogmoed komt voor de val: een paar weken terug werd ik gebeld door een oplettende toezichthouder die een mooi praktijkvoorbeeld had – vandaar deze vervolgcolumn.

Onder deuren zit vaak een ventilatiespleet van 1 à 2 centimeter. Maar wat nu als die deur in een rookwerende wand is opgenomen? De eerste gedachte is dat zo’n ventilatiespleet dan niet mag worden toegepast, maar zo simpel is het niet. Als de eis slechts Sa is wordt de onderdorpel tijdens de test immers afgeplakt waardoor de lekkage langs de onderzijde van de deur niet wordt meegeteld. Een deur kan dus prima ‘rookwerend’ zijn mét spleet onder de deur, mits uiteraard de eis Sa is, niet S200. Dan telt de spleet onder de deur immers wél mee.

Goed, de eis was hier Sa, de ventilatiespleet mag dus. Maar hoe groot mag die dan zijn? Het formele antwoord is vrij eenvoudig: niet groter dan tijdens de test (jawel: Sa moet zijn aangetoond met een test). Dus als tijdens de test de spleet onder de deur 10 millimeter hoog was, mag de spleet in praktijk tussen (nagenoeg) 0 en 10 millimeter zijn.

Tot zover is het helder, maar dit is nog niet het hele verhaal. Ik heb eerder al geschreven over de mogelijkheden die een extended application vaak biedt om méér mogelijk te maken dan direct uit een test volgt. Ook voor de bepaling van de rookwerendheid bestaat die mogelijkheid. Voor een Sa-deur mag blijkens die norm de hoogte van de spleet onder de deur worden vergroot. Het woord ‘onbeperkt’ staat er niet bij, maar een maximale vergroting evenmin. Waarschijnlijk heeft niemand in die normcommissie er ooit bij stilgestaan dat zo van de ouderwetse staldeur (u kent ze nog wel: twee van die halve deuren boven elkaar) bij wijze van spreken de onderste deur open mag staan. Dat is een wat overdreven voorbeeld, maar het maakt het probleem wel duidelijk. Het zou beter zijn als er een maximaal toelaatbare hoogte van zo’n spleet is benoemd om excessen als die staldeur in praktijk te voorkomen.

Maar welke grens zou je dan moeten aanhouden? Het mooist is natuurlijk een zo smal mogelijke spleet, die lekt het minst. Klopt, maar het ging juist om het vergroten. De normen stellen helaas geen maximum voor, maar we zouden kunnen aansluiten bij de brandwerendheidstesten. Bij zo’n test hoeft aan de onderzijde van de deur het 6 millimeter-kaliber niet te worden gebruikt, maar het 25 millimeter-kaliber wel. De spleet onder een deur mag dan dus maximaal (bijna) 25 millimeter hoog zijn.

Tja, die 25 millimeter is arbitrair, maar in elk geval sluit deze waarde aan bij andere, gerelateerde, testen. Maar let op: alléén als er behalve een test óók een extended application is opgesteld! Anders blijft de spleethoogte tijdens de test de bovengrens. Zo wordt iets schijnbaar eenvoudigs opeens toch knap lastig.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie  4-2021

'Toelaatbare lekkages' 

Ik heb in deze column al eerder geschreven over NEN 6075, de norm die het Bouwbesluit verbindt met de bepalingsmethode voor de rookdoorlatendheid. En dat geldt niet alleen voor deuren.

Hoewel de Europese norm EN 1634-3 in principe alleen voor deuren is bedoeld, kan de bepalingsmethode ook prima voor andere constructies worden gebruikt – al moet dan wel per constructietype worden bepaald welk toetsingscriterium geschikt is, of beter gezegd welke lekkage nog acceptabel is. Bovendien zijn er afspraken nodig over de inbouw van de te testen constructies, onder andere om onderlinge vergelijking van testen mogelijk te maken. En dat is precies wat NEN 6075 doet. Voor allerlei ‘constructies’ bepaalt de norm wat getest moet worden – vaak op basis van Europese testnormen voor de brandwerendheid – en welke lekkage toelaatbaar is. 

Inmiddels hebben wij diverse van die ‘andere constructies’ mogen testen. Het is vrij nieuwe materie en dus interessant om te kijken naar de opgedane ervaringen.
Soms lijkt het resultaat voorspelbaar, denk aan (kit)naden. Mits zorgvuldig aangebracht zijn die meestal nagenoeg ‘luchtdicht’, ook bij verhoogde temperatuur. Andere constructies blijken lastiger te zijn. Zo mag bij doorvoeringen een ‘standaardconfiguratie’ (zoals bij brandwerendheid) worden getest. Daarmee zijn allerlei varianten van doorvoeringen in één klap gedekt – natuurlijk op voorwaarde dat de test slaagt. Daarin zit dan een aantal losse kabels, die goed af te dichten zijn. Maar er zitten ook lastige, maar wel realistische bundels in, zoals één van 30 netwerkkabels. Tussen de kabels in zo’n bundel zitten gaatjes. Geen grote, maar wel veel. Verder wat grotere kabels die zijn samengebonden. In zo’n bundel zitten minder gaten (bij drie kabels één gat), maar dat gat is wel groter. Ondanks die gaatjes blijkt het soms mogelijk om nét aan de eis te voldoen. Maar meestal moet ten minste een deel van de gaatjes worden afgedicht. Dat is afhankelijk van het gekozen systeem.

Weer een ander verhaal zijn (kunststof) leidingen die door een wand voeren. Afhankelijk van het verwekingspunt van de kunststof bestaat het gevaar dat de leiding niet rond blijft, maar inzakt en de aansluiting op de wand niet langer goed afsluit. Gelukkig blijkt dat mee te vallen. Een PE-leiding zakt wel iets in bij de S200-meting, maar de doorvoer door de wand blijft doorgaans keurig dicht. Hierbij is het overigens wel van belang dat de PE-leiding in de nabijheid van de doorvoering door de wand goed is ondersteund (gebeugeld), anders kan de leiding behalve inzakken ook doorzakken waardoor ter plaatse van de doorvoering de vervorming en daardoor de lekkage mogelijk te groot wordt. Kunststof elektrabuizen, die veel kleiner zijn, knikken (natuurlijk weer bij de S200-test) ter plaatse van de doorvoering, maar ook hier geldt dat dit de rookwerendheid niet in gevaar brengt. In elk geval niet bij de testen die we tot nu toe hebben gedaan.

Zoals wel vaker in deze column valt er veel meer te vertellen over dit onderwerp, maar dat bewaar ik voor een volgende keer.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie  3-2021.

Rookwerendheid

Rookwerendheid blijft lastiger dan je denkt. In Nederland hebben we sinds kort een herziene versie van NEN 6075. Die is beter dan de voorgaande versie, maar nog niet echt eenvoudig.

Voor alleen een deur is het natuurlijk wél simpel: daarvoor is er immers een Europese testmethode. Een Europese lidstaat mag dan geen eigen methode gebruiken, dus voor deuren (en te openen ramen) wordt keurig doorverwezen naar EN 1634-3. Dat is overigens niet voor iedereen duidelijk las ik onlangs. In een artikel beweerde een ‘deskundige’ dat de nieuwe NEN 6075 aangeeft dat bij de Sa-test van een deur de onderdorpel niet afgeplakt mag worden. Ongetwijfeld onbedoeld maakt die ‘deskundige’ daarmee de onduidelijkheid weer wat groter. NEN 6075 zou daarmee immers afwijken van de Europese testmethode die juist omschrijft dat bij de Sa-meting de lekkage bij de onderdorpel niet hoeft te worden meegenomen. Nou ja, een vergissing is menselijk.

Laten we het rookgordijn wat optrekken. Hoe ‘werkt’ de nieuwe methode? Het belangrijkste verschil met ‘vroeger’ is dat de norm op componentniveau aangeeft welke lekkage toelaatbaar is. In analogie met de Europese EN 1634-3 wordt de prestatie van de componenten met Sa of S200 aangeduid, maar een ‘officiële’ classificatie is dat natuurlijk niet, die is immers (via het Europese systeem) weggelegd voor deuren en te openen ramen. Voor de scheiding als geheel wordt daarom een Ra of R200-classificatie bepaald. Dat is ook de eis die per 1 juli in het Bouwbesluit komt, en later in het BBL.

Hoe gaat dat in de praktijk? Neem een gangwand in gedachten, met daarin een deur. Boven het plafond zitten vaak doorvoeringen, bijvoorbeeld ventilatiekanalen en kabels. Verder sluit de wand aan op de omringende constructies, dat levert naden op. De uiteindelijke rookwerendheid van deze ‘scheidende constructie’ wordt bepaald door de lekkage van de deur, de doorvoeringen, de aansluitingen (naden) en natuurlijk de wand zelf. In NEN 6075 is voor elke component aangegeven hoe de lekkage ervan moet worden bepaald. Doorgaans door het meten van de luchtlekkage, soms ook visueel (bijvoorbeeld voor naden: een ‘gesloten’ naad hoef je bij Sa niet mee te nemen). Voor de situatie bij verhoogde temperatuur is een meting (bij 200 graden) nodig, of kan (als die bekend is) worden teruggevallen op de brandwerendheid van die component: Sa met E20 geldt als S200. Voor de wand als geheel geldt dan: als alle componenten als Sa mogen worden gezien, dan is de WRD van die wand Ra. Als alle componenten als S200 mogen worden gezien is de WRD van de wand R200.

Maar er zit nog een addertje onder het gras. Het aantal onderdelen waaruit de wand bestaat mag niet meer zijn dan twee plus één per vijf vierkante meter. De wand met de deur zijn er al twee. Dan zijn er nog de naden (voor Sa kun je die doorgaans negeren, voor S200 niet). Hoeveel extra zaken zoals doorvoeringen toelaatbaar zijn hangt dus ook af van de oppervlakte van de wand. Ik schreef het al: het blijft lastiger dan je denkt.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie  2-2021.

Deur in schuifwand

Al eerder heb ik geschreven over vragen die wij als testlab met enige regelmaat krijgen over de rookwerendheid van deuren. Maar u weet hoe dat gaat: zodra de praktijk in beeld komt komen er nieuwe vragen op – ofwel omdat iets niet past en er dus ‘wat moet worden verzonnen’, ofwel omdat de opdrachtgever iets vraagt (of beter: eist) wat niet is voorzien.

Een voorbeeld: een verplaatsbare scheidingswand die moet voldoen aan EN 1634-3. Dan komen onmiddellijk twee vragen op. Ten eerste: is EN 1364-3 wel toepasbaar op een scheidingswand? En ten tweede: is een verwijzing naar EN 1634-3 voldoende duidelijk als eis? Op zich is het al ongebruikelijk om een verplaatsbare wand als rookwerende scheiding in te zetten, want die wand kan immers ook opzij zijn geschoven – daar is het een verplaatsbare wand voor. Maar laten we er gemakshalve van uitgaan dat de eis alleen van toepassing is bij een gesloten wand. Ook niet onlogisch.

Stel vervolgens dat in die wand een loopdeur zit. Dan zou toepassing van EN 1634-3 inderdaad mogelijk zijn. Dat wil zeggen: voor die deur inclusief het kozijn en de naad tussen het kozijn en de wand. Zo staat dat immers in EN 1634-3. Maar wat als er geen ‘echt’ kozijn is toegepast, maar als het ‘kozijn’ in feite deel uitmaakt van het wandpaneel waarin de deur is opgenomen? Je kunt stellen dat dat hele wandpaneel waarin de deur zit dan als ‘kozijn’ gezien moet worden. Dus er moet een wandpaneel in de meetopstelling worden ingebouwd. Omdat ook de lekkage van de naad tussen het kozijn en de wand waarin het kozijn zit bij de test moet worden meegenomen, ligt het voor de hand om het te testen wandpaneel in te bouwen met aan weerszijden een passtuk van hetzelfde type wandpaneel. Dat is waarschijnlijk de eenvoudigste methode om de betreffende naad natuurgetrouw in de testopstelling in te bouwen.

En dan de vraag of alleen het vermelden van EN 1634-3 voldoende duidelijk is als eis. Nee dus. De norm EN 1634-3 is alleen een testmethode. De norm schrijft voor wat je kunt testen en hoe je dat moet doen. Bij de test wordt bij omgevingstemperatuur of bij 200 graden Celsius het luchtverlies gemeten. Na een geslaagde test wordt de constructie als Sa of S200 geclassificeerd. De eis zou dus moeten zijn ‘voldoet aan Sa’ of ‘voldoet aan S200’. Inderdaad, dat lijkt gesneden koek, maar dat is het blijkbaar niet.

Om nog even terug te komen op de rookwerendheid van de wand. De Europese norm EN 1634-3 is kort gezegd alleen bedoeld voor beweegbare dingen als deuren. De Nederlandse regelgeving (nu het Bouwbesluit, straks het BBL) stelt ook eisen aan de rookwerendheid van bijvoorbeeld wanden, naden en doorvoeringen. Die eisen worden in het BBL analoog aan het Europese systeem ook met Sa en S200 aangeduid. Maar hoe bepaal je of aan die eis wordt voldaan? De norm EN 1634-3 is hiervoor immers niet toepasbaar. Dat is waar NEN 6075 om de hoek komt kijken. Mooi onderwerp voor de volgende keer.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 1-2021.

Na Brexit

Welke invloed heeft de Brexit op het leveren van CE-producten aan het Verenigd Koninkrijk en mogen we de producten die er vandaan komen zomaar gebruiken? Dat blijken lastig te beantwoorden vragen.

Er is namelijk wel een Brexit-deal, maar het blijkt dat nog lang niet alles al echt klaar en vastgelegd is. Bovendien geldt voor Noord-Ierland weer net wat anders dan voor Engeland, Schotland en Wales. Noord-Ierland blijft wat betreft de handel ‘binnen’ de Europese Unie en daarvoor verandert er dus niet veel, maar dat is dan ook wel zo'n beetje het enige goede nieuws. De rest van het VK valt buiten de EU en heeft dus wél te maken met de nieuwe regels. Als ik het in het over het ‘VK’ heb, betreft dat dus Engeland, Schotland en Wales maar niet Noord-Ierland.

Goed, wat houdt die Brexit in voor CE-gemarkeerde producten? Tja, CE-markering is een uitvinding van de Europese Unie en wordt in het VK vervangen door het nieuwe UKCA Mark. Dus als u een product in het VK wilt verkopen dan moet dat zijn voorzien van deze nieuwe markering. Die eis geldt vanaf 1 januari, maar gelukkig is er een overgangsperiode (tot eind 2021) waarin de CE-markering in het VK nog wordt geaccepteerd. Omgekeerd geldt dat een product uit het VK (dat voorzien is van UKCA Mark) van een CE-markering moet worden voorzien. Ook hier een overgangsperiode tot eind 2021. Kortom: vanaf 2022 zal in veel gevallen een product moeten zijn voorzien van zowel CE-markering als het UKCA Mark. Die overgangsperiode van een jaar lijkt riant, maar is voorbij voor je er erg in hebt.

De procedures om een UKCA Mark te krijgen en de eisen waaraan moet worden voldaan zijn in principe gelijk aan die voor CE-markering. Dat scheelt weer. De belangrijkste verschillen zitten eigenlijk in de gebruikte terminologie. Zo wordt de (EU) notified body vervangen door een (VK) approved body. En een geharmoniseerde Europese productnorm wordt een designated standard. Daar zit trouwens nog wel een moeilijkheid, in elk geval voor de toekomst. Het normeringsinstituut in het VK (BSI) is sinds 1 januari geen ‘volledig’ lid meer van het Europese normeringsinstituut CEN. Daarmee vervalt strikt genomen voor het VK ook de verplichting om nationale normen die strijdig zijn met Europese normen in te trekken. Juist die verplichting, een belangrijke pijler onder het Europese systeem (denk aan de geharmoniseerde productnormen!), staat immers op gespannen voet met de gewenste ‘volledige soevereiniteit’ die aan de Brexit ten grondslag ligt. Het is nog onduidelijk hoe dit zich zal ontwikkelen.

Tot slot: een notified body moet zijn gevestigd in de Europese Unie. Een aantal in het VK gevestigde (voormalige!) notified bodies heeft om die reden de afgelopen tijd ook een vestiging ‘op het vasteland’ geopend. De vestiging in het VK kan dan de benodigde procedures voor het UKCA Mark verzorgen, de vestiging in de Europese Unie die voor de CE-markering. Op die manier kan één organisatie, zij het vanuit verschillende vestigingen, toch beide markeringen verzorgen. Dat lijkt dan toch nog een positieve afsluiting.
In elk geval van deze column.

________________________________

Column in Raam en Deur editie 6-2020.

De CE-puzzel

Dat CE-markering voor buitendeuren wél en voor binnendeuren (nog) niet verplicht is weten de meesten die deze column lezen waarschijnlijk wel.

Opdrachtgevers blijken echter vaak niet te precies te weten welk traject moet worden afgelegd om het felbegeerde CE-label op een product te mogen plakken. Begrijpelijk, want helemaal eenduidig is dat niet. In deze column licht ik een tipje van de sluier op – al vraagt het eigenlijk om een wat langer artikel. 
Het begint met de Richtlijn Bouwproducten of CPR en de geharmoniseerde Europese productnorm(en) (hEN). In een hEN staan de voor een bepaald product essentiële kenmerken vermeld en de wijze waarop bepaald moet worden of hieraan wordt voldaan. Ook is aangegeven aan welke eisen (notificatie?) de toetsende instantie moet voldoen. Een (helaas slecht) voorbeeld is een brandwerende buitendeur. Daarvoor moet namelijk aan twee hEN’s worden voldaan. EN 14351-1 regelt allerlei voor een deur relevante zaken, maar niet de brandwerendheid. Dat is geregeld in EN 16034. Terwijl brandgedrag weer in EN 14351-1 staat. Voor binnendeuren geldt in feite hetzelfde (EN 16034 met EN 14351-2), alleen is de laatste norm (nog) niet door de Europese Commissie geharmoniseerd. Tja. CE-markering van brandwerende binnendeuren zit er dus voorlopig niet in. In de CPR is trouwens ook bepaald welke informatie met een product moet worden meegeleverd, zoals de ‘prestatieverklaring’. Wat wel en niet in de prestatieverklaring mag staan is ook vastgelegd.

Terug naar de basis. Een product moet met CE-markering op de markt worden gebracht als er een hEN beschikbaar is. De hEN legt vast welke eisen aan de essentiële kenmerken (ook een term uit de CPR) als brandveiligheid kunnen worden gesteld. Zo geeft EN 16034 aan dat de brandwerendheid moet zijn uitgedrukt in een classificatie conform EN 13501-2. De norm EN 14351-1 (en -2) geeft aan dat het brandgedrag wordt geclassificeerd conform EN 13501-1. Daarmee komen we weer op bekend terrein.
In die classificatienormen is vastgelegd welke aan testeisen moet zijn voldaan, bijvoorbeeld EN 1634-1 voor de brandwerendheid. In de classificatienormen is tevens vastgelegd hoe het toepassingsgebied waarvoor de classificatie geldig is wordt bepaald. Dat betreft het directe toepassingsgebied uit de testnorm, eventueel uitgebreid met zaken die zijn beschreven in de betreffende extended application-norm. Voor bijvoorbeeld houten deuren zou dat zijn EN 15269-3. Dit alles moet dan weer worden opgenomen in de prestatieverklaring.
Oh ja, kijk eerst even in de hEN of het testlab moet zijn aangewezen als notified body (doorgaans is dat het geval) en of inschakeling van een certification body (bijvoorbeeld voor de monstername) nodig is. En vergeet niet het gewenste toepassingsgebied tijdig met het testlab af te stemmen!
Terug dus naar dat af te leggen traject om een deur als ‘brandwerend’ op de markt te mogen brengen. Begin bij de hEN. Dan overleg met een certification body en/of notified testlab. Proefstuk maken, laten testen en classificeren. Daarna nog ‘even’ de vereiste CPR-documenten als de prestatieverklaring opstellen. Simpel toch? Als je van een beetje puzzelen houdt wel.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 5-2020.

Rookwerendheid

Deze keer wil ik proberen een stukje van het rookgordijn rond de rookdichtheidsmetingen van deuren weg te blazen. Bij meting van de rookwerendheid (in feite de luchtlekkage) van een deur blijken sommige zaken tot verwarring te kunnen leiden – zoals de aansluiting van het kozijn op de wand en de naad aan de onderzijde van de deur.

Met de rookwerendheid van een ‘deur’, bedoelen we in feite het deurblad mét het kozijn. Bij een schuifdeur is er natuurlijk niet altijd sprake van een echt kozijn, maar van een of meerdere aanslagprofielen. De norm (NEN-EN 1634-3) heeft het dan ook over een ‘deurconstructie die de functie heeft om, in gesloten toestand, de doorgang van rook te beperken tot voorgeschreven limieten’. Kortom: we kijken niet alleen naar de deur maar naar deur inclusief de zaken die nodig zijn om die deur ook te laten functioneren als deur. En de deur moet gesloten zijn – oké. Gemakshalve beperk ik me verder tot de gangbare (gesloten) draaideur met kozijn.
Dat kozijn wordt in de praktijk in een wand gemonteerd. Dat levert een extra naad op. Telt die naad, waarop de leverancier van de deurconstructie doorgaans niet veel invloed heeft, ook mee? Voor het antwoord daarop moeten we naar de definitie kijken die de norm geeft voor het lekdebiet van het proefstuk: ‘de lekkage door het proefstuk inclusief de naad tussen het proefstuk en het testframe of de ondersteuning’. Omwille van de leesbaarheid enigszins vrij vertaald, maar hier komt het op neer. Die naad telt dus mee.
Die ‘ondersteuning’ is daarbij de wand waarmee de opening van het testframe wordt verkleind tot de inbouwafmetingen van de te testen constructie. De opbouw van de ondersteuning is niet voorgeschreven, maar wel is (in het ‘direct toepassingsgebied’) vastgelegd dat de wand waarin de deur in praktijk wordt geplaatst ten minste even (buig)stijf moet zijn als de bij de test gebruikte ondersteuning. Daarbij is tevens aangegeven dat de wijze van bevestiging én de wijze van afdichting in praktijk minimaal even goed moeten zijn als tijdens de test.
Klinkt logisch allemaal en dat is het in feite ook: de situatie in praktijk moet ten minste even goed zijn als de situatie tijdens de test. Dat houdt dus in dat de fabrikant bij de montage-instructies niet alleen zaken als het aantal montagepunten aan moet geven, maar ook de manier waarop de naad moet worden afgewerkt.
En dan de naad aan de onderzijde van de deur. Of de lekkage daarvan een rol speelt hangt af van de nagestreefde classificatie: Sa (‘omgevingscondities’) of S200 (‘verhoogde temperatuur’). In het eerste geval hoeft (gek genoeg) de lekkage aan de onderzijde van de deur niet te worden meegenomen: die naad wordt tijdens een ‘koude’ test dan ook afgeplakt. Maar pas op: dat wil niet zeggen dat de detaillering van deze naad onbelangrijk is en tijdens de test mag afwijken van de praktijk.
Bij de ‘warme’ test wordt de lekkage via de naad aan de onderzijde van de deur wél meegenomen. Die tape kan er dus weer af. Toch handig als dan de detaillering al klopt!

 

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 4-2020.

Brexit en zijn gevolgen

Zoals in de vorige column toegezegd zal ik deze keer wat dieper ingaan op de vraag ‘wat is een deskundige?’ En dan met name een deskundige op het gebied van het opstellen van verklaringen over de brandwerendheid of het brandgedrag van constructies.

Maar ik wil beginnen met een ander hangijzer, dat ondertussen behoorlijk heet begint te worden: de Brexit en de accreditatie en notificatie van laboratoria en certificeerders in het Verenigd Koninkrijk. Want wat is het geval? CE-markering en alles wat daarmee samenhangt is een afsprakenstelsel tussen de lidstaten van de Europese Unie. Notified bodies en certification bodies worden door de Europese Unie aangewezen. Een organisatie die is gevestigd buiten de Europese Unie kan niet worden geaccrediteerd of genotificeerd. De Brexit zelf is inmiddels een feit, maar er is nu sprake van een overgangsperiode waarin de EU-regels in het Verenigd Koninkrijk nog onverkort gelden. Die overgangsperiode loopt eind dit jaar af, wat er daarna gaat gebeuren weet nog niemand aangezien dat wordt bepaald door de inhoud van de ‘deal’ die tussen de EU en het VK wordt gesloten. Of niet – ook dat weet nog niemand.
Wat weten we wél? In maart publiceerde de Europese Commissie een document over de gevolgen van een no-dealbrexit voor accreditatie en notificatie. Kort gezegd: die eindigen voor in het VK gevestigde partijen op 31 december. Niet alleen kunnen zij geen EU-documenten meer opstellen zoals die voor CE-markering vereist zijn, de bestaande documenten verliezen op die datum ook hun geldigheid en moeten dus (door een in de EU gevestigde partij) worden herzien. Dus als er in de onderhandelingen tussen de EU en het VK niet alsnog een andere afspraak wordt gemaakt dan nu aangegeven door de Europese Commissie, dan moet u als u in uw product gebruik maakt van producten met certificaat dat is opgesteld door een in het VK gevestigde notified body, er met ingang van 1 januari 2021 op letten dat het certificaat is aangepast. Datzelfde geldt natuurlijk ook als u zelf een product op de markt brengt met Engelse papieren.

En dan de vraag wat (of wie) een deskundige is. Volgens Van Dale is een deskundige iemand ‘met kennis van zaken’. Dat helpt ook niet echt. In de Europese norm EN 15725 voor het opstellen van exaps staat weliswaar geen definitie van een deskundige, maar wel van expert judgement: “View of a recognised expert in a particular fire test, and performance of products in that test.” Kortom: als iemand veel weet van een test en hoe producten reageren tijdens die test wordt hij (of zij natuurlijk) blijkbaar ook door anderen (en niet alleen door zichzelf!) als deskundige herkend (recognised). In praktijk praat je dan dus over mensen die zelf testen uitvoeren of veelvuldig bijwonen.
Waar vind je dergelijke mensen? Dat is vrij eenvoudig: dat zijn de projectleiders van (geaccrediteerde) brandlaboratoria als dat van Peutz. Uiteraard weten productontwikkelaars van grotere fabrikanten (die doorgaans veel testen bijwonen) vaak ook van de hoed en de rand, maar de ‘onafhankelijkheid’ van hun oordeel is een stuk lastiger uit te leggen.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 3-2020.

Wat is een deskundige?

Begin vorig jaar schreef ik in deze column dat het handig is dat de (brand)testmethoden en de wijze waarop met de resultaten wordt omgegaan binnen de Europese lidstaten zijn geharmoniseerd. Zo had ik het over CE-markering, de CPR en het toepassingsgebied van (brand)testen. Op die manier hoeft een producent immers niet in elke lidstaat opnieuw te bewijzen wat zijn of haar product kan.

Natuurlijk heeft dat systeem zijn beperkingen. Zeker als er sprake is van CE-markering kun – of beter: mag – je niet méér met een product dan blijkt uit testen en een aantal voornamelijk administratieve handelingen (extended application, classificatie). Als CE-markering geen rol speelt is er in principe wat meer mogelijk. Op basis van de uitkomsten van een test en het gedrag van een constructie kan door een terzake kundige vaak een verantwoorde uitspraak worden gedaan voor situaties die (beperkt) buiten het toepassingsgebied van de test vallen. Daarvan wordt vaak gebruik gemaakt bij bestaande gebouwen waar de gebouweigenaar of gebouwgebruiker wil weten of ‘het gebouw wel veilig is’. Daarbij speelt natuurlijk heel wat meer dan alleen de brandwerendheid van wanden en deuren – denk aan bijvoorbeeld de lengte van vluchtwegen – maar ik beperk me even tot die brandwerendheid. Dat is al lastig zat.

Neem een deurconstructie in een gebouw van een aantal jaren oud: hoe ouder, hoe lastiger. Het vraagt brede kennis en ervaring om vast te stellen welk fabricaat en type het betreft. Beide zijn van belang. Vervolgens moet je op zoek naar ‘bewijs’, een testrapport dus. Zeker bij oudere constructies kan dat lastig zijn. Wij zien nogal eens dat dan door een ‘deskundige’ een oordeel wordt geveld op basis van een vergelijking met iets wat wel lijkt op de constructie in kwestie. Een werkwijze waarmee je door de mand kunt vallen als een dergelijke constructie na bijvoorbeeld een second opinion door een echt deskundige partij alsnog wordt getest.

De hamvraag bij het opstellen van een beoordeling is dus: wat of wie is een ‘deskundige’? Daarvoor moeten we nagaan waar je op moet letten als je een constructie wilt beoordelen. Bij brandwerendheid (daartoe zou ik me beperken) moet je in elk geval rekening houden met factoren als de vervorming door de hitte, het wegbranden van materiaal en zelfs het spontaan ontbranden van materiaal aan de ‘veilige’ kant van de constructie. Dergelijke aspecten kun je alleen voldoende betrouwbaar inschatten als je ‘het’ regelmatig hebt zien gebeuren, bijvoorbeeld door zelf te testen of regelmatig testen bij te wonen. Zelfs dan blijft het lastig een goede voorspelling te doen van het gedrag van een complexe constructie als een deur.

Laat staan voor iemand die – zwart-wit gezegd – geen idee heeft van het geweld waaraan een constructie bij brand wordt blootgesteld. Dus: wat is een deskundige? Dat is voor u van belang, u wilt immers een betrouwbare uitspraak. Maar helaas, de ruimte in de column is beperkt, dus hierover de volgende keer meer.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 2-2020.

Vraag en antwoord

Al eerder schreef ik over de CE-markering van brandwerende buitendeuren – voor binnendeuren is de CE-markering helaas op de lange(re) baan geschoven.
En hoewel ‘de normen’ duidelijk lijken, blijken ze in praktijk allerlei vragen op te roepen. Sommige daarvan bereiken mij dan weer. Dat is leuk want daardoor weet ik dat deze column wordt gelezen. Ik zal deze keer twee vaker gestelde vragen beantwoorden, één praktische en één administratieve.

De praktische vraag gaat over dat in de praktijk meestal geen ‘deurset’ (deurblad/kozijn/scharnieren/slot/etc.) op de bouw wordt aangeleverd, maar eerst een kozijn, later een deurblad en ten slotte de scharnieren en het slot als losse componenten. Valt de constructie dan nog onder de CE-markering of niet? Deze vraag is recent besproken in de Fire Sector Group en die stelt dat een deurset niet in één keer 100 procent compleet hoeft te worden geleverd. Wél moet worden voldaan aan aanvullende voorwaarden: de deurset is bij één leverancier besteld, het materiaal wordt geleverd onder verantwoordelijkheid van de CE-houder (de fabrikant van de deurset), sparingen moeten in de fabriek zijn aangebracht en er moeten goede aanwijzingen beschikbaar zijn voor de montage. Kortom, de praktijksituatie past zowaar binnen het CE-keurslijf (behalve misschien die montageaanwijzingen).

De administratieve vraag kan worden samengevat als ‘wie is waarvoor verantwoordelijk?’ Daarvoor moeten we naar de productnormen. Productnormen zijn te herkennen aan de aanwezigheid van bijlage ZA, en met name de tabellen daarin. Voor onze vraag naar verantwoordelijkheden hebben we te maken met tabellen ZA.2 en ZA.3. De eerste tabel geeft aan welk controlesysteem (‘AVCP’-systeem of ‘AoC’-systeem) moet worden gevolgd. In EN 16034 is het AVCP-systeem (‘Assessment and Verification of Constancy of Performance’) gehanteerd, in EN 14351-1 het AoC-systeem (‘Attestation of Conformity’). Dat type (AVCP of AoC) vergeten we even, ik beperk me tot het systeemniveau dat gevolgd moet worden. Blijkens tabel ZA.2 is dat voor brandwerende deuren systeem 1. Tabel ZA.3 geeft aan wat de fabrikant zelf moet doen en wat door een derde (in dit geval een ‘notified certification body’) moet worden gedaan. De fabrikant blijkt verantwoordelijk voor (onder andere) de productiecontrole, de certification body voor de (brandwerendheids)test maar ook voor bijvoorbeeld het toezicht op de productiecontrole. Doorgaans zal de certification body de administratieve handelingen zelf uitvoeren maar testen uitbesteden aan een (systeem 3) genotificeerd testlab. Aangezien het testlab toch al nauwkeurig na moet gaan hoe de te testen constructie eruitziet wordt ook de monstername vaak, maar niet door elke certification body, aan het testlab uitbesteed. Tip: vaak kan dubbel werk worden voorkomen door in een vroeg stadium het testlab en de certification body met elkaar in contact te brengen.

Ik geef toe, het ziet er complex uit. Maar wees gerust, na nog een keer doorlezen met de normen ernaast (en misschien nog een extra kop koffie of thee) gaat u de verbanden zien. En anders heb ik weer een thema voor een volgende column.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 1-2020.

Anders dan getest

Het zal geen verrassing zijn dat de brandwerendheid van een deur of te openen raam altijd wordt getest met het benodigde hang- en sluitwerk. Evenmin zal het een verrassing zijn dat in de praktijk de behoefte bestaat om ander hang- en sluitwerk te gebruiken dan in de test was gemonteerd. In het verleden werd daar nauwelijks aandacht aan besteed, maar aangezien er nu vaak wél wordt gecontroleerd of de papieren van een product kloppen, krijgen wij steeds vaker de vraag om te beoordelen of bijvoorbeeld een afwijkend slot mag worden toegepast.

Tja, hoe beoordeel je dat? Op gevoel zou je soms zeggen ‘lijkt me prima’, maar om bij een veiligheidsvoorziening als een brandwerende deur of raam alleen op je gevoel af te gaan is naar mijn mening geen goede basis. Dus eerst het testrapport maar eens doornemen: hoe gedroeg de constructie zich? En wat staat er ook alweer in de testnorm over het toepassingsgebied? Oh ja, voor een ander type slot of scharnier niets, dus dat mag niet worden veranderd. De extended application dan? Mooi, die biedt onder ‘building hardware’ wel wat ruimte. Bijvoorbeeld voor een ander slot, maar wel onder een aantal voorwaarden. Zo moet dat andere slot zich ook hebben bewezen in een brandtest. Op zich logisch, want het moet tegen verhitting én mechanische belasting kunnen. Laten we ervan uitgaan dat het slot inderdaad eerder is getest en dat ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan (daarvoor verwijs ik graag naar de betreffende normen, bijvoorbeeld EN 15269-2 voor stalen of EN 15269-3 voor houten deuren), dan kan de gevraagde beoordeling positief worden afgerond.

Het wordt lastiger als er geen testgegevens beschikbaar zijn of als niet aan andere voorwaarden is voldaan. Dan schrijft de exap-norm een aanvullende test voor. Dat kan een test zijn volgens EN 1634-1 (dus een complete deur- of raamconstructie), maar het kan ook een test zijn volgens EN 1634-2. Deze norm geeft een bepalingsmethode voor de prestaties van hang- en sluitwerk bij verhitting. Het is een relatief onbekende norm (niet alle brandlaboratoria die deuren testen zijn ook voor deze norm geaccrediteerd) maar wél een interessant alternatief omdat het proefstuk een stuk kleiner is dan bij een reguliere brandtest. Er kunnen dus meerdere varianten tegelijk worden getest, of er kunnen verschillende onderdelen tegelijk worden getest. De kleine afmetingen van de proefstukken leiden wel tot een paar extra zaken die het lab moet regelen, zoals het aanbrengen van extra gewicht om zo de praktijkbelasting van bijvoorbeeld de scharnieren te simuleren. Deze testmethode kan worden gebruikt voor scharnieren en sloten maar ook voor bijvoorbeeld drangers. Er is zelfs een opstelling omschreven waarmee kan worden bepaald of de olie uit een dranger kan ontvlammen.

Om met een open deur te eindigen: het loont de moeite (zoals eigenlijk altijd) om bij vragen omtrent de toepasbaarheid van alternatieve materialen in een brandwerende constructie wat verder te kijken dan de dagschoot lang is.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 6-2019.

Vragen over rookwerendheidstesten

Een tijdje terug kwam de rookwerendheid van deuren ter sprake. Dit onderwerp begint inmiddels te leven, getuige het aantal aanvragen voor tests dat wij als geaccrediteerd lab krijgen. Ik wil in deze column wat dieper ingaan op een paar veelgestelde vragen. Zoals over het toepassingsgebied van zo’n test, ofwel ‘wat kan ik met de resultaten?’ en hoeveel deuren er nodig zijn voor zo’n test.

Eerst de vraag over het toepassingsgebied. Zoals vermoedelijk bekend is, bestaat het uit een ‘direct’ en een ‘uitgebreid’ deel. Het eerste is omschreven in de testnorm (EN 1634-3) en krijgt u ‘gratis’ bij een test, het tweede kan door een lab aanvullend worden opgesteld aan de hand van de daarvoor beschikbare ‘exap-norm’. Voor rookwerende deuren is dat EN 15269-20. In aanvulling hierop mogen bij de classificatie ook de exap-normen voor brandwerende deuren worden meegenomen.

Voor een projectgebonden test waarbij de test antwoord moet geven op de rookwerendheid van een deur in een specifieke situatie is doorgaans alleen het direct toepassingsgebied van belang. Maar zodra u de resultaten van een test ook voor andere situaties dan getest wilt gebruiken, wordt het interessant om voorafgaand aan de test(en) met het lab af te stemmen voor welke configuraties u de resultaten wilt kunnen gebruiken. Dat kan gaan om zaken als de afmetingen van het deurblad en het type kozijn (staal, hout, of allebei) maar ook om op het eerste oog minder voor de hand liggende verschillen, zoals: mogen de afmetingen van een glasdeel worden veranderd?

Op basis van zo’n ‘boodschappenlijstje’ met wensen kan het lab een testschema opzetten waarin wordt aangegeven hoe de te testen configuratie eruit moet zien om de gewenste toepassingen mogelijk te maken. Soms zijn er meer testen nodig. Men kan bijvoorbeeld in eerste instantie de configuratie testen, waarmee een relatief groot deel van de markt is af te dekken. Ook hier geldt dat overleg vooraf nuttig is om teleurstellingen achteraf te voorkomen.

Dan de tweede vraag: hoeveel deuren zijn er nodig? Dat hangt van een paar factoren af: moet de rookwerendheid in één of twee draairichtingen worden bepaald, moet alleen Sa of ook S200 worden bepaald en is tijdens de (S200) test sprake van vervorming? De eerste twee vragen zijn simpel. Bij Sa kan met één constructie de rookwerendheid in beide richtingen worden bepaald. Met S200 ook, als er tijdens de test geen vervorming van betekenis optreedt. In praktijk komt het er meestal op neer dat er voor een compleet onderzoek (Sa en S200, twee draairichtingen) één kozijn wordt ingebouwd en dat er twee deurbladen nodig zijn. Na de testen voor de eerste draairichting wordt dan het deurblad vervangen en wordt de tweede draairichting getest. Het goede nieuws: een extra deurblad voor de controle van de opbouw is niet nodig. De rookwerendheidstest is immers niet (of in elk geval minder) destructief dan een brandwerendheidstest, dus na de test kan de opbouw worden gecontroleerd aan de hand van de geteste deur.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 5-2019.

CE-markering binnendeuren staat op de tocht

Mijn voorgaande column sloot ik af met de belofte dat ik zou doorborduren op de brandklasse van houten deuren, maar dat moet nog even wachten. Op dat moment was het verslag van de bespreking op 1 en 2 juli 2019 van de Advisory Group on Construction Products nog niet beschikbaar. Inmiddels is dat er wel en dat verslag maakt weer eens duidelijk dat je nooit te vroeg moet juichen. Want wat is het geval? (Spoiler: de CE-markering van binnendeuren staat, in elk geval voorlopig, op de tocht.)

Zoals eerder geschreven is CE-markering vereist voor producten waarvoor een geharmoniseerde Europese productnorm beschikbaar is én de overgangsperiode (co-existentieperiode) van die norm is verstreken. Dat lijkt overzichtelijk, maar er zijn voor deuren diverse productnormen beschikbaar – en dat maakt de situatie er niet duidelijker op. Naast de EN 16034 (voor brandwerende te openen ramen en deuren) zijn EN 14351 (niet-brandwerende te openen ramen en voetgangersdeuren, deel 1 voor buitendeuren en deel 2 voor binnendeuren) en 13241 (garagedeuren) gepubliceerd. De meeste zijn al enige tijd geleden geharmoniseerd én van kracht, EN 16034 wordt per 1 november van kracht. Echter, EN 14351-2 is al wel gepubliceerd en gewoon te koop, maar nog niet in OJEU (Official Journal of the European Union) afgekondigd. De norm is dus – in tegenstelling tot wat de inhoud van de norm doet vermoeden – nog niet officieel geharmoniseerd.

De verwachting was dat de vermelding in het tweede of derde kwartaal van 2019 in OJEU plaats zou vinden, waarna met een overgangsperiode van een jaar of twee CE-markering van binnendeuren in werking zou treden op basis van EN 16034 met EN 14351-1.

Maar daar gaat het fout, of loopt het in elk geval anders dan verwacht. In het eerder genoemde verslag is te lezen dat de vermelding van EN 14351-2 in OJEU om meerdere redenen wordt uitgesteld. Een van die redenen is dat de wens bestond de co-existentieperiode te verlengen. Dat is echter lastig. Daarnaast wordt aangegeven dat het situatie dat meer productnormen parallel moeten worden toegepast (bijvoorbeeld EN 16034 én EN 14351-1) onwenselijk is en in de toekomst moet worden voorkomen. Dat is op zich waar, het komt de duidelijkheid immers niet ten goede, maar het is ook niks nieuws. Laten we het houden op ‘voortschrijdend inzicht’. Maar dan de klapper: het is blijkens hetzelfde verslag ook nog niet duidelijk óf, en op welke termijn EN 13451-2 in OJEU zal worden vermeld. Inderdaad, er wordt gesproken van ‘potential OJEU citation’, dus wellicht wordt de norm, in elk geval in de huidige vorm, ook in de toekomst niet vermeld.

Samenvattend: EN 16034 moet worden gebruikt in combinatie met een van de geharmoniseerde productnormen EN 13241 of EN 14351-1. Per 1 november is dus CE-markering verplicht voor de deuren (of beter: ‘doorsets’ ofwel deur-/kozijncombinaties) voor deuren die vallen binnen de scope van EN 16034 in combinatie met EN 14241 of EN 14351-1.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 4-2019.

Hoe brandbaar zijn uw materialen?

Na het uitstapje in de vorige column naar de akoestiek, deze keer weer een brandende kwestie. Ik wil namelijk ingaan op het ‘beperken van de ontwikkeling van brand en rook’ uit het Bouwbesluit 2012. Het gaat daarbij niet om het gedrag van een constructie als geheel (zoals bij brand- en rookwerendheid het geval is), maar om het gedrag van de materialen waaruit de constructie bestaat. Beide onderwerpen hebben met brand en veiligheid te maken, maar daarmee houdt de gelijkenis op.

Het brandgedrag wordt uitgedrukt in de ‘brandklasse’. Deze loopt van A1 voor onbrandbare materialen tot F voor materialen die zeer eenvoudig ontbranden. De brandklasse wordt bepaald aan de hand van een of meer Europese testmethodes, waarbij de test mede afhangt van de te behalen klasse. Welke testen moeten worden uitgevoerd is vastgelegd in de norm waarin de classificaties zijn gedefinieerd: EN 13501-1. Voor de meeste materialen in een gebouw geldt dat deze brandklasse B, C of D (of beter) moeten hebben, afhankelijk van de gebouwfunctie en locatie. In het Bouwbesluit staat dat vijf procent van de oppervlakte van een constructiedeel in een ruimte (bijvoorbeeld een wand) niet aan de genoemde eis hoeft te voldoen. Dit is blijkens de Toelichting bij het Bouwbesluit gedaan om toepassing van kleine zaken als plinten eenvoudig mogelijk te maken. Het is overigens niet de bedoeling dat deze ‘vrijgestelde’ oppervlakte geconcentreerd is op één plaats.

Om vast te stellen of een materiaal in een van de klassen B-C-D valt zijn twee verschillende testen nodig. Een daarvan is een vrij eenvoudige test, de ‘small flame-test’, waarbij een proefstuk met een klein vlammetje wordt verhit om te kijken of het snel ontbrandt. De andere test, de SBI-test, is lastiger en vraagt een groter proefstuk. Bij deze test wordt kort gezegd de situatie nagebootst waarbij in de hoek van een ruimte een prullenbak in brand staat. Daarbij is dan de vraag of, en hoe snel, het onderzochte materiaal ontbrandt. Ook wordt gemeten hoeveel energie en rook er vrijkomen. Bij deze test spelen trouwens materiaaleigenschappen een (soms grote) rol, zelfs de kleur kan het resultaat beïnvloeden.

En dan de praktijk. Er zijn weinig (of geen?) houten deuren waarvan de brandklasse is bepaald. Wellicht omdat de eis vaak eenvoudigweg over het hoofd wordt gezien, maar vaak niet ook ‘omdat de deur in de vijfprocentregel past’. Los van het feit dat die uitzonderingsregel hiervoor niet bedoeld is, klopt de bewering vaak ook niet: als er een paar deuren bij elkaar aanwezig zijn is de oppervlakte daarvan al snel meer dan vijf procent.

De vraag is dus: hoe goed scoren houten deuren eigenlijk op het gebied van de brandklasse? En, misschien nog belangrijker, hoe zit dat met de rookklasse? Interessante vragen waar ik in de volgende column dieper op in zal gaan.

 

Column in Raam en Deur editie 2-2019.

Rookwerendheid
Na het wat zware verhaal over de weg die moet worden afgelegd om te komen tot een efficiënt testschema voor een brandwerende deur, wilde ik in deze aflevering een wat luchtiger column schrijven. Over rookwerendheid. Rook is immers grotendeels lucht – met wat verontreinigingen natuurlijk. Maar die verontreinigingen maken de rook gevaarlijk. Voor de gebruikers van een gebouw is rook doorgaans een groter gevaar dan de brand zelf. Het Bouwbesluit 2012 geeft daarom regels voor zowel de indeling van een gebouw in brandcompartimenten als in rookcompartimenten. Of eigenlijk subbrandcompartimenten zoals deze tegenwoordig worden genoemd. Dat heeft natuurlijk alleen nut als de scheiding tussen twee compartimenten de rook ook daadwerkelijk tegenhoudt. En daar wil ik het nu over hebben.

Het Bouwbesluit schrijft (nu nog) voor dat een scheiding tussen twee subbrandcompartimenten 20 minuten brandwerend moet zijn, beschouwd voor het criterium vlamdichtheid. Uitgedrukt in de Europese classificatiesystematiek dus E 20. Dat is een beetje een merkwaardige eis omdat er geen deugdelijk verband is tussen brandwerendheid en rookwerendheid. Logischer zou zijn een eis die is gebaseerd op de daadwerkelijke (beperking van de) luchtlekkage van de constructie, een deur bijvoorbeeld.

Dit laatste is precies wat de Europese norm EN 1634-3 doet. Deze norm bevat een methode waarmee kan worden bepaald hoe goed een deur daadwerkelijk afsluit. Kort gezegd komt het erop neer dat wordt gemeten hoeveel luchtlekkage optreedt als een drukverschil over de deur wordt aangebracht. De meting kan worden gedaan bij omgevingstemperatuur (20 °C) of bij verhoogde temperatuur (200 °C). De eerste waarde zegt iets over de lekkage bij ‘koude’ rook, dus bijvoorbeeld op grotere afstand van de brand. De tweede waarde zegt iets over de situatie bij verhoogde temperatuur, een situatie waarbij ook vervorming van het deurblad en kozijn een rol kunnen spelen. De gemeten waarden worden vervolgens getoetst aan de grenswaarden die zijn vermeld in de classificatienorm EN 13501-2, waarna (uiteraard bij gunstige uitkomst) een classificatie Sa of S200 kan worden afgegeven. Let wel: dit was ‘kort gezegd’, de praktijk is helaas (zoals wel vaker) net wat complexer.

‘Interessant, maar wat moet ik hiermee – de eis is toch iets met vlamdichtheid?’, zult u zich wellicht afvragen. Maar dan kom ik toch weer uit bij wat een centraal thema in deze serie aan het worden is: de aanstaande CE-markering van deurconstructies. De lidstaten (en dus ook Nederland) moeten immers Europese test- en bepalingsmethoden overnemen. Dus ook de bepalingsmethode voor rookwerende deuren. Op termijn komt daarom in het Bouwbesluit de E 20-eis te vervallen en zal (via NEN 6075) de rookwerendheidseis voor deuren worden uitgedrukt in Sa en S200.
Het wordt daarmee ook mogelijk om bij de ontwikkeling van een nieuwe deur de rook- en de brandwerendheid te scheiden. Dat kan economisch interessant zijn, vooral voor deuren die alleen rookwerend zijn.

Maar om een brandwerende deur tevens rookwerend te mogen noemen is straks wel een extra test nodig. En het blijkt niet vanzelfsprekend te zijn dat een brandwerende deur ook rookwerend is: door vervorming (bij de 200 °C-test) kan eenvoudig een te grote lekkage optreden. Uit de testen die we inmiddels in ons lab hebben uitgevoerd weten we ook dat het maken van een brand- én rookwerende deur zeker mogelijk is.

In de toekomst zijn er dus drie mogelijkheden: een deur die alleen brandwerend is, alleen rookwerend, of beide. Daarmee kan niet alleen een beter op de eis toegesneden product worden ontwikkeld, ook de veiligheid komt op een hoger niveau te liggen.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 1-2019.

Slim testen
Het is handig als een rapport dat ‘ergens’ is opgesteld ook in andere EU-lidstaten wordt geaccepteerd – dat scheelt werk, ergernis én kosten. Mede daarom is de CE-markering geïntroduceerd. Daarbij zien sommigen het als een nadeel dat de wijze waarop een breed geaccepteerde rapportage tot stand komt aan ‘regeltjes’ is gebonden. Er is immers meer nodig dan een ‘goed gevoel’ om op te kunnen schrijven dat een bepaalde constructie ‘wel aan de eis voldoet’ en dat lijkt de mogelijkheden te beperken. Aan de andere kant bieden die regels ook zekerheid en kansen. Kansen, omdat die regels ook kunnen worden ingezet om met zo min mogelijk testen een zo breed mogelijk toepassingsgebied te bereiken. Zekerheid omdat de resultaten die zo worden bereikt ook moeten worden geaccepteerd door bijvoorbeeld vergunningverleners, zelfs in andere lidstaten.

Hoe werkt dat?
Dat is het makkelijkst duidelijk te maken aan de hand van een voorbeeld. Stel dat een fabrikant van deuren en kozijnen een nieuw type deur wil ontwikkelen. In de praktijk komen er dan allerlei vragen om alternatieve uitvoeringen. Dat kan zijn de toepassing van een glasdeel (geen glasdeel of juist wel, groot of klein enzovoort), een ander slot (zoals éénpunts, meerpunts, kaartlezer), een dranger (opbouw, inbouw), toepassing van een andere oppervlakteafwerking (fineer of schilderen?), andere scharnieren (andere afmetingen, opbouw of inbouw) en natuurlijk het aantal deurbladen (enkel of dubbel) of het kozijn (staal of hout). En dat is dan nog maar een beperkte greep uit de mogelijkheden. Een dergelijk ‘verlanglijstje’ leidt op het eerste gezicht tot een fors aantal testen.
Door handig gebruik te maken van ‘regeltjes’ (vriendelijker gezegd: de testnorm én de extended application-norm) kan dat aantal testen doorgaans flink worden beperkt. Daarvoor moet je dan wel goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden die worden geboden door het ‘directe’ en ‘uitgebreide’ toepassingsgebied zoals omschreven in die normen.
Het opzetten van een goed testplan kan, afhankelijk van de wensen, een flinke en complexe klus zijn. De fabrikant kan dat natuurlijk zelf doen, maar meestal is het handiger om het testplan op te laten stellen door een testlab. Zo’n testlab heeft immers niet alleen ervaring met het testen zelf, maar kent ook de normen goed. In het testplan kan bijvoorbeeld worden gekozen om te beginnen met twee testen waarbij de belangrijkste parameters aan de orde komen: een met een enkel deurblad en een met een dubbel deurblad. In een van de deurbladen kan een relatief klein glasdeel worden opgenomen, in een ander een groot. Er wordt een dranger gemonteerd, maar de arm wordt losgenomen. In een ander deurblad wordt bijvoorbeeld een inbouwdranger gemonteerd. Als de testen slagen kan dan het deurblad met of zonder glasdeel, met of zonder dranger, inbouw of opbouw en als enkele of dubbele deur worden toegepast. Inderdaad, die twee testen moet dan wél slagen. En inderdaad, dit is een vereenvoudigd voorbeeld van de mogelijkheden.

Maar toch: ook dit voorbeeld maakt goed duidelijk dat het ‘van achter naar voor’ werken erg effectief kan zijn: kijk eerst wat u met het product wilt en onderzoek op basis daarvan wat een (economisch en technisch) efficiënt testplan is. Begin met een variant die een groot deel van de beoogde markt afdekt. En maak tijdens het hele proces gebruik van de kennis en ervaring van het testlab.

Oh ja, vergeet ook niet om te controleren of er nog meer eisen zijn, bijvoorbeeld rookwerendheid.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 6-2018.

Na 2019
De ‘cliffhanger’ van mijn voorgaande column (lees deze hieronder): waarom is veel van de huidige, veel gebruikte deskundigenverklaringen niet meer te gebruiken, zodra de CE-markering op deuren en te openen ramen vanaf november 2019 een feit is? En wat betekent dat voor de praktijk?
Eerst het waarom. De Europese Unie streeft naar een open markt tussen de lidstaten, onder meer door een eenduidige wijze van beoordeling van de belangrijkste kenmerken. Een belangrijk middel hiervoor is de CPR, die stelt dat producten waarvoor een geharmoniseerde productnorm (zoals EN 16034) beschikbaar is, alleen met CE-markering op de markt mogen worden gebracht. In EN 16034 wordt voor de brand- en rookwerendheid aangegeven dat een classificatie op basis van de Europese classificatienorm EN 13501-2 vereist is. Deze norm schrijft voor hoe de brandwerendheidsklasse en het toepassingsgebied moeten worden bepaald. Het maximaal mogelijke toepassingsgebied bestaat daarbij uit twee delen: het ‘directe’ en het ‘uitgebreide’. Het eerste – direct field of application – volgt ‘direct’ uit de testnorm, het tweede – extended field of application – volgt uit een aanvullende beoordeling op basis van de desbetreffende extended application-norm. Vandaar de term ‘exap’. Aangezien bijvoorbeeld houten en stalen constructies bij verhitting verschillend reageren, is (of wordt) er voor elk type constructie een eigen norm opgesteld, voor deuren en te openen ramen vormen die de serie EN 15269. Het zijn lijvige documenten van 75 tot soms wel 100 pagina’s.

Bij het vaststellen van het toepassingsgebied mogen alleen de in de classificatienorm genoemde documenten (test- en exap-normen) worden gebruikt. Het mooie van dit systeem is dat het leidt tot de gewenste eenduidige wijze van beoordeling. Als een bepaalde toepassing via een test of exap mogelijk is, kan die toepassing dus ook in de andere lidstaten worden geaccepteerd. Aan de andere kant, en daar zit de angel, komt de huidige praktijk onder druk te staan, een praktijk waarin heel wat constructies via een deskundigenbeoordeling worden geaccepteerd, maar waarvoor geen geldige Europese classificatie beschikbaar of mogelijk is. Voor al die situaties moet dus alsnog een classificatiedocument worden opgesteld conform de hierboven beschreven regels. Ook als het product binnen slechts één lidstaat wordt toegepast.

Wat houdt dat concreet in? Vanaf het moment dat de CE-markering verplicht is – voor brandwerende ramen en deuren eind 2019 – worden appels met appels en peren met peren vergeleken. Dat is goed nieuws.
Maar er is ook minder goed nieuws. Waarschijnlijk moet er in veel gevallen méér gebeuren dan alleen het opstellen van nieuwe documenten op basis van eerder uitgevoerde testen. In het certificeringsproces kunnen (Europese) testrapporten van constructies, waarvan de fabrikant aannemelijk kan maken dat de opbouw ervan sinds de test niet is gewijzigd, vaak nog worden gebruikt. Maar er circuleren ook nogal wat (verouderde) testrapporten waarbij die ‘herleidbaarheid’ niet op orde is. In die gevallen zullen nieuwe testen vereist zijn.

In de volgende column: hoe stel je samen met het testinstituut een slim testschema op en beperk je zo het aantal te voeren testen? Dat laat ik in de volgende column zien?
_________________________________

Column in Raam en Deur editie 5-2018.

CE-markering
Met ingang van dit nummer levert Peutz een bijdrage aan 'Raam en Deur' in de vorm van deze column. Het accent zal daarbij liggen op de brandveiligheid en het aantonen daarvan door middel van testen. Meer concreet: de brandwerendheid van een constructie en het brandgedrag van de toegepaste materialen. Net als in onze adviespraktijk zullen daarbij de ervaringen die wij hebben opgedaan met het testen in ons laboratorium van allerlei constructies een belangrijke rol spelen. Maar voor degenen die Peutz nog niet kennen eerst een korte kennismaking. 
Peutz is een onafhankelijk adviesbureau, onder andere op de vakgebieden akoestiek en brandveiligheid. Als enige adviesbureau beschikt Peutz daarnaast over een aantal eigen meetlaboratoria, waarbij de laboratoria voor akoestiek en brandveiligheid voor veel testen zijn geaccrediteerd. Dankzij deze geaccrediteerde laboratoria is Peutz ook aangewezen als Notified Body. Peutz is daarnaast lid van relevante Nederlandse en Europese normcommissies. Ten slotte is Peutz lid van de Europese 'brancheorganisatie' van onafhankelijke en geaccrediteerde brandlaboratoria, de EGOLF – sinds voorjaar 2018 ben ik bestuurslid van deze organisatie.

Terug naar de (brandwerende) ramen en deuren. Een thema dat steeds actueler wordt is CE-markering. Het achterliggende doel van CE-markering is de gedachte dat producten binnen Europa vrij verhandeld moeten kunnen worden en dat niet elke lidstaat een eigen testmethodiek hanteert voor de belangrijkste eigenschappen. In normaal Nederlands: als je één keer hebt aangetoond dat je product aan de 'Europese' eisen voldoet, dan moet dat volstaan. Daartoe zijn via de CE-markering de testmethodiek en wijze van beoordelen van de uitkomsten 'geharmoniseerd'. Voor bijvoorbeeld de brandwerendheid van een constructie houdt dit in dat de brandwerendheid wordt uitgedrukt in een classificatie die is gebaseerd op de Europese testmethodes. Voor welke situaties het resultaat van een test geldig is, is ook in normen vastgelegd. Op deze wijze is men ervan verzekerd dat het testresultaat én de conclusies in de diverse lidstaten vergelijkbaar zijn. Consequentie hiervan is wel dat een 'deskundigenverklaring', die per definitie niet op deze wijze tot stand is gekomen, niet meer gebruikt mag worden. CE-markering voor bouwproducten is verplicht als een 'geharmoniseerde Europese productnorm' beschikbaar is voor het betreffende product. Dus als er een productnorm beschikbaar is dan moet het Europese systeem worden gevolgd.

Wat betekent dit voor leveranciers van (beweegbare) ramen en deuren? Naast de voordelen (vrije handel tussen lidstaten, geen extra testkosten in het buitenland) betekent het dat allerlei oude rapporten – zo circuleren er nogal wat deskundigenverklaringen die niet zijn gebaseerd op de Europese normen – niet meer gebruikt kunnen worden zodra CE-markering voor dat product verplicht wordt. Ofwel: er zullen producten zijn die niet langer als 'brandwerend' op de markt mogen worden gebracht. Voor brandwerende deuren is de geharmoniseerde productnorm EN 16034 per november 2019 verplicht. Met die norm in combinatie met EN 14351-1 is voor buitendeuren de verplichte CE-markering een feit, voor binnendeuren is dat het geval zodra EN 14351-2 is gepubliceerd en in werking is getreden. Ofwel: zeer binnenkort zullen veel 'oude' deskundigenverklaringen moeten worden vervangen door documenten die passen binnen het Europese stelsel. Meer daarover in de volgende column.

Contactgegevens:
Peutz
Paletsingel 2
2716 NT Zoetermeer
Postbus 696
2700 AR Zoetermeer
Tel. (079) 347 03 47
info@peutz.nl
www.peutz.nl

 

 

Hier uw advertentie?
Bel +31 (0)73 503 35 44.

Inschrijven nieuwsbrief