Columns door Ir. Jacques Mertens

Columns door Ir. Jacques Mertens

Hij is hoofd laboratorium voor brandveiligheid bij Peutz en levert een bijdrage aan 'Raam en Deur' in de vorm van onderstaande columns. 

Het accent zal daarbij liggen op de brandveiligheid en het aantonen daarvan door middel van testen.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 4-2019.

Hoe brandbaar zijn uw materialen?

Na het uitstapje in de vorige column naar de akoestiek, deze keer weer een brandende kwestie. Ik wil namelijk ingaan op het ‘beperken van de ontwikkeling van brand en rook’ uit het Bouwbesluit 2012. Het gaat daarbij niet om het gedrag van een constructie als geheel (zoals bij brand- en rookwerendheid het geval is), maar om het gedrag van de materialen waaruit de constructie bestaat. Beide onderwerpen hebben met brand en veiligheid te maken, maar daarmee houdt de gelijkenis op.

Het brandgedrag wordt uitgedrukt in de ‘brandklasse’. Deze loopt van A1 voor onbrandbare materialen tot F voor materialen die zeer eenvoudig ontbranden. De brandklasse wordt bepaald aan de hand van een of meer Europese testmethodes, waarbij de test mede afhangt van de te behalen klasse. Welke testen moeten worden uitgevoerd is vastgelegd in de norm waarin de classificaties zijn gedefinieerd: EN 13501-1. Voor de meeste materialen in een gebouw geldt dat deze brandklasse B, C of D (of beter) moeten hebben, afhankelijk van de gebouwfunctie en locatie. In het Bouwbesluit staat dat vijf procent van de oppervlakte van een constructiedeel in een ruimte (bijvoorbeeld een wand) niet aan de genoemde eis hoeft te voldoen. Dit is blijkens de Toelichting bij het Bouwbesluit gedaan om toepassing van kleine zaken als plinten eenvoudig mogelijk te maken. Het is overigens niet de bedoeling dat deze ‘vrijgestelde’ oppervlakte geconcentreerd is op één plaats.

Om vast te stellen of een materiaal in een van de klassen B-C-D valt zijn twee verschillende testen nodig. Een daarvan is een vrij eenvoudige test, de ‘small flame-test’, waarbij een proefstuk met een klein vlammetje wordt verhit om te kijken of het snel ontbrandt. De andere test, de SBI-test, is lastiger en vraagt een groter proefstuk. Bij deze test wordt kort gezegd de situatie nagebootst waarbij in de hoek van een ruimte een prullenbak in brand staat. Daarbij is dan de vraag of, en hoe snel, het onderzochte materiaal ontbrandt. Ook wordt gemeten hoeveel energie en rook er vrijkomen. Bij deze test spelen trouwens materiaaleigenschappen een (soms grote) rol, zelfs de kleur kan het resultaat beïnvloeden.

En dan de praktijk. Er zijn weinig (of geen?) houten deuren waarvan de brandklasse is bepaald. Wellicht omdat de eis vaak eenvoudigweg over het hoofd wordt gezien, maar vaak niet ook ‘omdat de deur in de vijfprocentregel past’. Los van het feit dat die uitzonderingsregel hiervoor niet bedoeld is, klopt de bewering vaak ook niet: als er een paar deuren bij elkaar aanwezig zijn is de oppervlakte daarvan al snel meer dan vijf procent.

De vraag is dus: hoe goed scoren houten deuren eigenlijk op het gebied van de brandklasse? En, misschien nog belangrijker, hoe zit dat met de rookklasse? Interessante vragen waar ik in de volgende column dieper op in zal gaan.

 

Column in Raam en Deur editie 2-2019.

Rookwerendheid
Na het wat zware verhaal over de weg die moet worden afgelegd om te komen tot een efficiënt testschema voor een brandwerende deur, wilde ik in deze aflevering een wat luchtiger column schrijven. Over rookwerendheid. Rook is immers grotendeels lucht – met wat verontreinigingen natuurlijk. Maar die verontreinigingen maken de rook gevaarlijk. Voor de gebruikers van een gebouw is rook doorgaans een groter gevaar dan de brand zelf. Het Bouwbesluit 2012 geeft daarom regels voor zowel de indeling van een gebouw in brandcompartimenten als in rookcompartimenten. Of eigenlijk subbrandcompartimenten zoals deze tegenwoordig worden genoemd. Dat heeft natuurlijk alleen nut als de scheiding tussen twee compartimenten de rook ook daadwerkelijk tegenhoudt. En daar wil ik het nu over hebben.

Het Bouwbesluit schrijft (nu nog) voor dat een scheiding tussen twee subbrandcompartimenten 20 minuten brandwerend moet zijn, beschouwd voor het criterium vlamdichtheid. Uitgedrukt in de Europese classificatiesystematiek dus E 20. Dat is een beetje een merkwaardige eis omdat er geen deugdelijk verband is tussen brandwerendheid en rookwerendheid. Logischer zou zijn een eis die is gebaseerd op de daadwerkelijke (beperking van de) luchtlekkage van de constructie, een deur bijvoorbeeld.

Dit laatste is precies wat de Europese norm EN 1634-3 doet. Deze norm bevat een methode waarmee kan worden bepaald hoe goed een deur daadwerkelijk afsluit. Kort gezegd komt het erop neer dat wordt gemeten hoeveel luchtlekkage optreedt als een drukverschil over de deur wordt aangebracht. De meting kan worden gedaan bij omgevingstemperatuur (20 °C) of bij verhoogde temperatuur (200 °C). De eerste waarde zegt iets over de lekkage bij ‘koude’ rook, dus bijvoorbeeld op grotere afstand van de brand. De tweede waarde zegt iets over de situatie bij verhoogde temperatuur, een situatie waarbij ook vervorming van het deurblad en kozijn een rol kunnen spelen. De gemeten waarden worden vervolgens getoetst aan de grenswaarden die zijn vermeld in de classificatienorm EN 13501-2, waarna (uiteraard bij gunstige uitkomst) een classificatie Sa of S200 kan worden afgegeven. Let wel: dit was ‘kort gezegd’, de praktijk is helaas (zoals wel vaker) net wat complexer.

‘Interessant, maar wat moet ik hiermee – de eis is toch iets met vlamdichtheid?’, zult u zich wellicht afvragen. Maar dan kom ik toch weer uit bij wat een centraal thema in deze serie aan het worden is: de aanstaande CE-markering van deurconstructies. De lidstaten (en dus ook Nederland) moeten immers Europese test- en bepalingsmethoden overnemen. Dus ook de bepalingsmethode voor rookwerende deuren. Op termijn komt daarom in het Bouwbesluit de E 20-eis te vervallen en zal (via NEN 6075) de rookwerendheidseis voor deuren worden uitgedrukt in Sa en S200.
Het wordt daarmee ook mogelijk om bij de ontwikkeling van een nieuwe deur de rook- en de brandwerendheid te scheiden. Dat kan economisch interessant zijn, vooral voor deuren die alleen rookwerend zijn.

Maar om een brandwerende deur tevens rookwerend te mogen noemen is straks wel een extra test nodig. En het blijkt niet vanzelfsprekend te zijn dat een brandwerende deur ook rookwerend is: door vervorming (bij de 200 °C-test) kan eenvoudig een te grote lekkage optreden. Uit de testen die we inmiddels in ons lab hebben uitgevoerd weten we ook dat het maken van een brand- én rookwerende deur zeker mogelijk is.

In de toekomst zijn er dus drie mogelijkheden: een deur die alleen brandwerend is, alleen rookwerend, of beide. Daarmee kan niet alleen een beter op de eis toegesneden product worden ontwikkeld, ook de veiligheid komt op een hoger niveau te liggen.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 1-2019.

Slim testen
Het is handig als een rapport dat ‘ergens’ is opgesteld ook in andere EU-lidstaten wordt geaccepteerd – dat scheelt werk, ergernis én kosten. Mede daarom is de CE-markering geïntroduceerd. Daarbij zien sommigen het als een nadeel dat de wijze waarop een breed geaccepteerde rapportage tot stand komt aan ‘regeltjes’ is gebonden. Er is immers meer nodig dan een ‘goed gevoel’ om op te kunnen schrijven dat een bepaalde constructie ‘wel aan de eis voldoet’ en dat lijkt de mogelijkheden te beperken. Aan de andere kant bieden die regels ook zekerheid en kansen. Kansen, omdat die regels ook kunnen worden ingezet om met zo min mogelijk testen een zo breed mogelijk toepassingsgebied te bereiken. Zekerheid omdat de resultaten die zo worden bereikt ook moeten worden geaccepteerd door bijvoorbeeld vergunningverleners, zelfs in andere lidstaten.

Hoe werkt dat?
Dat is het makkelijkst duidelijk te maken aan de hand van een voorbeeld. Stel dat een fabrikant van deuren en kozijnen een nieuw type deur wil ontwikkelen. In de praktijk komen er dan allerlei vragen om alternatieve uitvoeringen. Dat kan zijn de toepassing van een glasdeel (geen glasdeel of juist wel, groot of klein enzovoort), een ander slot (zoals éénpunts, meerpunts, kaartlezer), een dranger (opbouw, inbouw), toepassing van een andere oppervlakteafwerking (fineer of schilderen?), andere scharnieren (andere afmetingen, opbouw of inbouw) en natuurlijk het aantal deurbladen (enkel of dubbel) of het kozijn (staal of hout). En dat is dan nog maar een beperkte greep uit de mogelijkheden. Een dergelijk ‘verlanglijstje’ leidt op het eerste gezicht tot een fors aantal testen.
Door handig gebruik te maken van ‘regeltjes’ (vriendelijker gezegd: de testnorm én de extended application-norm) kan dat aantal testen doorgaans flink worden beperkt. Daarvoor moet je dan wel goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden die worden geboden door het ‘directe’ en ‘uitgebreide’ toepassingsgebied zoals omschreven in die normen.
Het opzetten van een goed testplan kan, afhankelijk van de wensen, een flinke en complexe klus zijn. De fabrikant kan dat natuurlijk zelf doen, maar meestal is het handiger om het testplan op te laten stellen door een testlab. Zo’n testlab heeft immers niet alleen ervaring met het testen zelf, maar kent ook de normen goed. In het testplan kan bijvoorbeeld worden gekozen om te beginnen met twee testen waarbij de belangrijkste parameters aan de orde komen: een met een enkel deurblad en een met een dubbel deurblad. In een van de deurbladen kan een relatief klein glasdeel worden opgenomen, in een ander een groot. Er wordt een dranger gemonteerd, maar de arm wordt losgenomen. In een ander deurblad wordt bijvoorbeeld een inbouwdranger gemonteerd. Als de testen slagen kan dan het deurblad met of zonder glasdeel, met of zonder dranger, inbouw of opbouw en als enkele of dubbele deur worden toegepast. Inderdaad, die twee testen moet dan wél slagen. En inderdaad, dit is een vereenvoudigd voorbeeld van de mogelijkheden.

Maar toch: ook dit voorbeeld maakt goed duidelijk dat het ‘van achter naar voor’ werken erg effectief kan zijn: kijk eerst wat u met het product wilt en onderzoek op basis daarvan wat een (economisch en technisch) efficiënt testplan is. Begin met een variant die een groot deel van de beoogde markt afdekt. En maak tijdens het hele proces gebruik van de kennis en ervaring van het testlab.

Oh ja, vergeet ook niet om te controleren of er nog meer eisen zijn, bijvoorbeeld rookwerendheid.

_________________________________

Column in Raam en Deur editie 6-2018.

Na 2019
De ‘cliffhanger’ van mijn voorgaande column (lees deze hieronder): waarom is veel van de huidige, veel gebruikte deskundigenverklaringen niet meer te gebruiken, zodra de CE-markering op deuren en te openen ramen vanaf november 2019 een feit is? En wat betekent dat voor de praktijk?
Eerst het waarom. De Europese Unie streeft naar een open markt tussen de lidstaten, onder meer door een eenduidige wijze van beoordeling van de belangrijkste kenmerken. Een belangrijk middel hiervoor is de CPR, die stelt dat producten waarvoor een geharmoniseerde productnorm (zoals EN 16034) beschikbaar is, alleen met CE-markering op de markt mogen worden gebracht. In EN 16034 wordt voor de brand- en rookwerendheid aangegeven dat een classificatie op basis van de Europese classificatienorm EN 13501-2 vereist is. Deze norm schrijft voor hoe de brandwerendheidsklasse en het toepassingsgebied moeten worden bepaald. Het maximaal mogelijke toepassingsgebied bestaat daarbij uit twee delen: het ‘directe’ en het ‘uitgebreide’. Het eerste – direct field of application – volgt ‘direct’ uit de testnorm, het tweede – extended field of application – volgt uit een aanvullende beoordeling op basis van de desbetreffende extended application-norm. Vandaar de term ‘exap’. Aangezien bijvoorbeeld houten en stalen constructies bij verhitting verschillend reageren, is (of wordt) er voor elk type constructie een eigen norm opgesteld, voor deuren en te openen ramen vormen die de serie EN 15269. Het zijn lijvige documenten van 75 tot soms wel 100 pagina’s.

Bij het vaststellen van het toepassingsgebied mogen alleen de in de classificatienorm genoemde documenten (test- en exap-normen) worden gebruikt. Het mooie van dit systeem is dat het leidt tot de gewenste eenduidige wijze van beoordeling. Als een bepaalde toepassing via een test of exap mogelijk is, kan die toepassing dus ook in de andere lidstaten worden geaccepteerd. Aan de andere kant, en daar zit de angel, komt de huidige praktijk onder druk te staan, een praktijk waarin heel wat constructies via een deskundigenbeoordeling worden geaccepteerd, maar waarvoor geen geldige Europese classificatie beschikbaar of mogelijk is. Voor al die situaties moet dus alsnog een classificatiedocument worden opgesteld conform de hierboven beschreven regels. Ook als het product binnen slechts één lidstaat wordt toegepast.

Wat houdt dat concreet in? Vanaf het moment dat de CE-markering verplicht is – voor brandwerende ramen en deuren eind 2019 – worden appels met appels en peren met peren vergeleken. Dat is goed nieuws.
Maar er is ook minder goed nieuws. Waarschijnlijk moet er in veel gevallen méér gebeuren dan alleen het opstellen van nieuwe documenten op basis van eerder uitgevoerde testen. In het certificeringsproces kunnen (Europese) testrapporten van constructies, waarvan de fabrikant aannemelijk kan maken dat de opbouw ervan sinds de test niet is gewijzigd, vaak nog worden gebruikt. Maar er circuleren ook nogal wat (verouderde) testrapporten waarbij die ‘herleidbaarheid’ niet op orde is. In die gevallen zullen nieuwe testen vereist zijn.

In de volgende column: hoe stel je samen met het testinstituut een slim testschema op en beperk je zo het aantal te voeren testen? Dat laat ik in de volgende column zien?
_________________________________

Column in Raam en Deur editie 5-2018.

CE-markering
Met ingang van dit nummer levert Peutz een bijdrage aan 'Raam en Deur' in de vorm van deze column. Het accent zal daarbij liggen op de brandveiligheid en het aantonen daarvan door middel van testen. Meer concreet: de brandwerendheid van een constructie en het brandgedrag van de toegepaste materialen. Net als in onze adviespraktijk zullen daarbij de ervaringen die wij hebben opgedaan met het testen in ons laboratorium van allerlei constructies een belangrijke rol spelen. Maar voor degenen die Peutz nog niet kennen eerst een korte kennismaking. 
Peutz is een onafhankelijk adviesbureau, onder andere op de vakgebieden akoestiek en brandveiligheid. Als enige adviesbureau beschikt Peutz daarnaast over een aantal eigen meetlaboratoria, waarbij de laboratoria voor akoestiek en brandveiligheid voor veel testen zijn geaccrediteerd. Dankzij deze geaccrediteerde laboratoria is Peutz ook aangewezen als Notified Body. Peutz is daarnaast lid van relevante Nederlandse en Europese normcommissies. Ten slotte is Peutz lid van de Europese 'brancheorganisatie' van onafhankelijke en geaccrediteerde brandlaboratoria, de EGOLF – sinds voorjaar 2018 ben ik bestuurslid van deze organisatie.

Terug naar de (brandwerende) ramen en deuren. Een thema dat steeds actueler wordt is CE-markering. Het achterliggende doel van CE-markering is de gedachte dat producten binnen Europa vrij verhandeld moeten kunnen worden en dat niet elke lidstaat een eigen testmethodiek hanteert voor de belangrijkste eigenschappen. In normaal Nederlands: als je één keer hebt aangetoond dat je product aan de 'Europese' eisen voldoet, dan moet dat volstaan. Daartoe zijn via de CE-markering de testmethodiek en wijze van beoordelen van de uitkomsten 'geharmoniseerd'. Voor bijvoorbeeld de brandwerendheid van een constructie houdt dit in dat de brandwerendheid wordt uitgedrukt in een classificatie die is gebaseerd op de Europese testmethodes. Voor welke situaties het resultaat van een test geldig is, is ook in normen vastgelegd. Op deze wijze is men ervan verzekerd dat het testresultaat én de conclusies in de diverse lidstaten vergelijkbaar zijn. Consequentie hiervan is wel dat een 'deskundigenverklaring', die per definitie niet op deze wijze tot stand is gekomen, niet meer gebruikt mag worden. CE-markering voor bouwproducten is verplicht als een 'geharmoniseerde Europese productnorm' beschikbaar is voor het betreffende product. Dus als er een productnorm beschikbaar is dan moet het Europese systeem worden gevolgd.

Wat betekent dit voor leveranciers van (beweegbare) ramen en deuren? Naast de voordelen (vrije handel tussen lidstaten, geen extra testkosten in het buitenland) betekent het dat allerlei oude rapporten – zo circuleren er nogal wat deskundigenverklaringen die niet zijn gebaseerd op de Europese normen – niet meer gebruikt kunnen worden zodra CE-markering voor dat product verplicht wordt. Ofwel: er zullen producten zijn die niet langer als 'brandwerend' op de markt mogen worden gebracht. Voor brandwerende deuren is de geharmoniseerde productnorm EN 16034 per november 2019 verplicht. Met die norm in combinatie met EN 14351-1 is voor buitendeuren de verplichte CE-markering een feit, voor binnendeuren is dat het geval zodra EN 14351-2 is gepubliceerd en in werking is getreden. Ofwel: zeer binnenkort zullen veel 'oude' deskundigenverklaringen moeten worden vervangen door documenten die passen binnen het Europese stelsel. Meer daarover in de volgende column.

Contactgegevens:
Peutz
Paletsingel 2
2716 NT Zoetermeer
Postbus 696
2700 AR Zoetermeer
Tel. (079) 347 03 47
info@peutz.nl
www.peutz.nl

 

 

Hier uw advertentie?
Bel +31 (0)73 503 35 44.

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief