“Akoestiek en ventilatie, een complexe verhouding in balans”

“Akoestiek en ventilatie, een complexe verhouding in balans”

tekst Louis Jongeleen

Mechanisch ventileren zonder storende geluiden van buiten en zonder ergerlijk gezoem van een ventilatiebox; comfortabele akoestiek en verse luchtvoorziening in de woning leken lang onverenigbaar. Maar, de laatste jaren komen we in de buurt, stellen twee deskundige sprekers die dit najaar hun visie gaven tijdens een seminar over het thema ‘Akoestiek en Ventilatie’. Een verslag.

 

Meer dan 150 belangstellenden uit verschillende bouw- en installatiebranches  kwamen begin november op uitnodiging van Duco – producent van o.a. ventilatiesystemen – naar het Instituut voor Beeld & Geluid in Hilversum om te worden bijgepraat over het complexe terrein van akoestiek en ventilatie. Gastspreker Wim Beentjes ,senioradviseur bouwadviseur van LBP|Sight, gaf een indruk van de ontwikkeling van de techniek van het gelijktijdig ventileren en het weren van buitengeluid. 
Vijftig jaar geleden ging het wat dit betreft over gevelroosters en klepraampjes. Pas na de oliecrisis (1973), toen het belang van kierdichting en isolerend dubbelglas evident werd, brak het inzicht door dat voor de gezondheid van de bewoners goede ventilatie van een woning een voorwaarde is.
In 1977 werd met de NEN 1087 een ventilatie-eis gesteld van 1 dm3 per seconde per m2 vloeroppervlak (voor een woonkamer met open keuken minimaal 0,042 m2 of 42 dm3/s).De nieuwe NPR 1088 bepaalde  dat het drukverschil over de voorziening bij een luchtvolumestroom van 5m/s door die doorlaat niet hoger mocht zijn dan 60 Pa.  De eerste wetgeving over geluidwering werd vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh, 1979) en het Besluit geluidwering gebouwen (Bgg, 1982). Uitgangspunt was hierbij dat het binnenniveau niet hoger mocht zijn dan 35 dB. Gelijktijdig moest ook aan eisen voor ventilatie worden voldaan. De techniek van de suskasten kwam echter nog niet verder dan een geluidwering van GA ≤ 28 dB.

Suskasten
Adviseur Beentjes: “Vanaf het begin van de jaren tachtig zijn de fabrikanten voortdurend bezig met verbetering van suskasten. In 1984 waren er al 37 sterk verbeterde typen. In de aanloop van een nieuwe versie van het Bouwbesluit werd alvast een nieuwe ventilatiegrootheid ingevoerd, de q v –waarde, de volumestroom bij 1 Pa [dm3/s]. De ventilatie-eis voor een verblijfsgebied werd q v = 0,9 vloeroppervlakte (≥ 7dm3/s). In 1993 was er een eerste suskast volgens de nieuwe richtlijn. Het eerste Bouwbesluit bepaalde in 1992 dat de karakteristieke geluidwering op een gevel (GA;k ) minimaal 20 dB moet zijn voor een verblijfsgebied en minimaal 18 dB voor een verblijfsruimte. Aan beide eisen moest gelijktijdig worden voldaan. In geluidbelaste situaties werd de GA;k- eis de geluidbelasting volgens de Wet geluidhinder 33 dB, resp. 35 dB. Na 1992 komt de NEN 5077 uit, een eerste meetmethode voor de karakteristieke geluidwering van een gevel (GAk) en daarbij een praktijkrichtlijn met een rekenmethode die het meetresultaat kan voorspellen, de NPR 5272. Vanaf 1985 verschijnen er steeds meer correctiefactoren die de berekening van de geluidwering nog nauwkeuriger kunnen maken, zoals  onder andere de verhouding ruimtevolume en geveloppervlak, de gevelstructuur (Cg) en de hoek (elevatiehoek) waaronder het geluid binnenkomt in het ventilatierooster (Celevatie).” Zijn terugblik beëindigt Wim Beentjes onder andere met de conclusie dat we anno 2015 de factoren die invloed hebben op geluid bij bepaalde ventilatievoorzieningen behoorlijk onder controle hebben. Hij verwacht voor de toekomst dat het vooral de energiemaatregelen zullen zijn die de voorzieningen voor ventilatie en geluidwering gaan bepalen.

Installatiegeluid
Uit oogpunt van gezondheid hebben we in woningen niet alleen te maken met ventilatie en buitengeluid, maar ook met installatiegeluid en geluid tussen ruimten. In zijn presentatie ging deskundige Jan Buijs, akoestisch adviseur bij adviesbureau Peutz  BV, in op wat het Bouwbesluit 2012 zegt over de eisen voor installatiegeluid in de woning en wel speciaal bij ventilatiesystemen met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer (systeem C, red.) Eerst gaf hij een toelichting bij enkele grondbegrippen uit de akoestiek. Zo stelde hij dat ‘geluid’ in zijn vak altijd gaat over het geluid dat hoorbaar is voor het menselijk oor, dat een frequentie heeft van 20 t

Het geluidsniveau dat we waarnemen is afhankelijk van de afstand tot de geluidsbron en van de akoestische eigenschappen van de meetruimte (nagalmtijd). Geluidvermogen (Lw) is bronsterkte van het installatiegeluid zelf, de waarde die we graag willen weten van elke ventilatiebox. Het Bouwbesluit 2012 stelt nu voor een woonfunctie een maximale geluidseis vast van 30 dB(A). Daarbij gaat het om het geluid van alle installaties (luchtverversing, warmteopwekking en warmteterugwinning) bij het voorgeschreven ventilatiedebiet (= het luchtvolume dat per uur verplaatst moet worden). Voor het beperken of voorkomen van geluidshinder binnen woningen geldt een streefwaarde van 20 tot 25 dB(A) en voor geluidniveaus voor omliggende woningen een etmaalwaarde (avond, nacht) van 45 dB(A).

Praktisch
Voor praktische aanwijzingen in verband met het geluid van individuele woninginstallaties verwijst Jan Buijs naar de normstellende ISSO-publicatie 111 (zie: www.isso.nl). In de bijbehorende Specificatiebladen voor Mechanische Ventilatie staan onder andere de plaatsen aangegeven waar de centrale geluidsbron van de installatie in een woning zich kan bevinden: in de woonkamer/keuken of slaapkamers, op de open zolder, op de vliering, in de berging grenzend aan een verkeersruimte of in een berging grenzend aan een verblijfsruimte. Als in een verkeersruimte, bijvoorbeeld op de gang, een installatiegeluidsniveau optreedt van 45 dB(A) wordt daarmee ook voldaan aan de wettelijke eis voor de aangrenzende verblijfsruimte.
Adviseur Buijs komt tot de slotsom dat de eisen van Bouwbesluit 2012 een redelijke bescherming bieden tegen geluid van de eigen installaties. Tegelijkertijd vraagt hij zich hardop af of er misschien toch in de toekomst voor de beperking van geluidshinder tussen de 5 tot 10 dB(A) strengere eisen moet komen. Tot slot stelt hij tevreden vast dat uit recent onderzoek van Peutz BV blijkt dat alle toonaangevende fabrikanten tegenwoordig afvoerboxen kunnen leveren die in bepaalde situaties de stilste zijn.

 

 

Hier uw advertentie?
Bel +31 (0)73 503 35 44.

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief